Begaafdheid

(Hoog)begaafdheid

Ongeveer 10% van alle kinderen en jongeren laat kenmerken zien die kunnen duiden op een hoge mate van begaafdheid. De mate waarin, op welke (talent)gebieden dit zichtbaar kan zijn en hoe dit zich verder uit in persoonlijkheidskenmerken, gedrag of prestaties, is heel verschillend. De diversiteit binnen het begaafdheidsspectrum is dan ook groot.

Naast een hoog ontwikkelingspotentieel beschikken begaafde kinderen vaak over creërend (denk)vermogen en een sterke gedrevenheid. Het is niet vanzelfsprekend dat dit zich ook uit in hoge prestaties op één of meerdere gebieden. Hiervoor is een stimulerende leeromgeving nodig, zowel thuis als op school. Met ouders die inspiratie, stimulans en een veilige thuisbasis bieden en leraren die verrijkend onderwijs vormgeven dat (ook) aansluit bij de ontwikkelingsbehoeften en -mogelijkheden van begaafde kinderen en jongeren.

Meer informatie Minder informatie
VolgendOntvolgen

Redactie

Omgeving

De omgeving speelt een essentiële rol bij het ontwikkelen van talenten van leerlingen. Vanuit een stimulerende leeromgeving kan de potentie van een leerling omgezet worden in zichtbare talenten en prestaties. De belangrijkste omgevingen waar een leerling deel van uitmaakt, zijn het gezin, medeleerlingen/  'peers' (gelijkgestemden) en de schoolomgeving.

Het vraagt om een continu proces van afstemmen tussen een leerling, ouders, leraren en medeleerlingen. Het ontwikkelen van effectieve sociale competenties door middel van goede communicatie is hierbij noodzakelijk. Op deze manier kan een leerling in zijn omgeving optimaal tot recht komen en zichzelf zijn. Wanneer er belemmeringen worden ervaren in de omgeving draagt effectieve communicatie bij aan het vinden van oplossingen waar samen aan gewerkt kan worden. Dit is voor iedere betrokkene een leerproces.

Effectieve communicatie

Kansen voor een effectieve communicatie tussen school en ouders:

  • Erken dat er een wezenlijk verschil is tussen school en thuis, wat betreft doelstellingen, taken, situatie en mogelijkheden. Verschil in gedrag thuis en op school is op grond hiervan vaak een realiteit en op zich niet verontrustend.  De overeenkomsten en verschillen samen onderzoeken maakt dat de ouders ervaren dat hun visie er toe doet. 
    Een vragenlijst  kan helpen de verschillen in hoe het kind thuis en op school ervaren wordt, goed in kaart te brengen. Middels doorvragen over de thuissituatie kunnen aanknopingspunten gevonden worden waar de school bij aan kan sluiten (interesses, taakaanpak, kwaliteiten, weten welke aanpak bij de leerling wel of niet werkt).
  • Thuis en school zijn beide erg belangrijk in hun lange termijneffect op de ontwikkeling van kinderen. Wanneer zij beide oplossingsgericht samenwerken, komt dit de ontwikkeling van het kind ten goede. Van belang is dat ouders en school elkaar als partners zien.
     
  • Op het moment dat er ontevredenheid is, moeten school en de ouders er beide zorg voor dragen dat zij niet via het kind communiceren. Een kenmerk van begaafdheid is dat deze kinderen vaak scherpe voelhorens hebben en verbanden leggen tussen wat ze horen en zien. Zo kan het zijn dat zij uit loyaliteit naar ouders en school, zelf steeds minder durven aan te geven.
     
  • Misverstanden, verschillen in verwachtingen en teleurstellingen kunnen meestal worden vermeden door ouders in een vroeg stadium te betrekken en deze betrokkenheid structureel te maken, zowel wat betreft de ontwikkeling van het kind als het functioneren van de school.
     
  • Het zoeken naar oplossingen voor schoolproblemen moet beginnen bij de realiteit van het klaslokaal, op dezelfde manier als de oplossingen voor thuis moeten beginnen bij de realiteit van de thuissituatie. Duidelijk  zijn over wat wel en niet mogelijk is, is essentieel.
     
  • Meld veranderingen op school aan de ouders, bijvoorbeeld het (tijdelijk) wegvallen van de extra begeleiding.
     
  • Regelmatig contact tussen ouders en leraren is sterk aan te bevelen. Het bevordert het opbouwen van een educatief partnerschap. Het geeft de mogelijkheid informatie uit te wisselen. Het vermindert de kans voor leraren en ouders om door het kind gemanipuleerd te worden.
     
  • Het kan heel verhelderend zijn om het kind doelgericht in een driegesprek te betrekken. Zowel wanneer het kind thuis een ander verhaal dan op school vertelt, als ook om samen een plan te maken.

Tips voor gespreksvoering

  • Zoek samen naar een tijdstip waarop rustig gesproken kan worden, en zet de tijd vast. Beperk de lengte van het gesprek (hooguit drie kwartier).
     
  • Vraag de ouders hun bespreekpunten bondig op schrift te stellen. Doe dit ook als leraar. En wissel de bespreekpunten vooraf uit.
     
  • Omschrijf (als leraar of ouder) voor jezelf duidelijk wat je hoopt te bereiken tijdens de leraar-ouder besprekingen.
     
  • Toon begrip voor de gevoelens en zienswijzen van de ander met betrekking tot de situatie.  Zie de ander als partner in het zorgen voor optimale omstandigheden om de ontwikkeling van het kind zo goed mogelijk te laten verlopen. Spreek daarom in de ‘wij’ vorm. Vraag vertrouwen van de ouders.
     
  • Vermijd het om iemand de schuld te geven. Erken dat de meeste mensen vanuit een goede intentie handelen, en dat ze mogelijk in de problemen komen omdat ze dingen over het hoofd zien, te weinig of juist teveel geïnformeerd zijn.
     
  • Beschouw de kenmerken van begaafdheid bij de leerling als een gezamenlijk aandachtspunt en onderzoek hoe deze kenmerken zich bij de betreffende leerling (thuis en op school) uiten en wat dit betekent voor wat het kind nodig heeft.
     
  • Als je nieuwe informatie over de leerling hebt, is het verstandig om te beginnen met de onderdelen die waarschijnlijk het meest aansluiten bij de waarnemingen van de ander en zodoende de basis voor een gemeenschappelijke uitgangspositie kunnen vormen. Vraag de mening van de ander over de informatie. Besteed aandacht aan de vraag: wanneer en hoe lukt het wel/ zou het wel lukken?
     
  • Sta zoveel mogelijk open voor nieuwe informatie van de ander. Een open nieuwsgierige houding, in plaats van een defensieve houding, maakt dat de ander zich gehoord weet.
     
  • Als er gegevens van een 'expert van buitenaf' zijn, kunnen die heel bedreigend overkomen, omdat het lijkt aan te geven 'Zie je wel, je had ongelijk!'. Dit wordt door de ouders niet zo bedoeld. Voor hen is het een middel om hun bevindingen kracht bij te zetten en gehoord te worden.
     
  • Richt je bij het oplossen van problemen op een stapsgewijze aanpak (met een meetbaar resultaat) die realiseerbaar is.
     
  • Zet in om tot overeenstemming te komen over een concreet plan van aanpak, ook al wordt hiermee slechts een deeloplossing bereikt.
     
  • Als er geen overeenstemming wordt bereikt, of slechts gedeeltelijk, is het beter om jezelf de tijd te gunnen om na te denken en de nieuwe mogelijkheden of het nieuwe idee te overwegen.
     
  • Plan altijd een vervolgafspraak om de voortgang te bespreken.
     
  • Het kan vaak verstandig zijn om de interne begeleider, het schoolhoofd of anderen te betrekken in ouder-leraargesprekken.
     
  • Soms laat het resultaat van een reeks van gesprekken te wensen over. Weet wanneer je pogingen om een brug te bouwen of een situatie te veranderen, moet opgeven. In plaats daarvan kunnen de school en de ouders zich er dan beter op richten een vangnet te maken (bijv. een plusklas) of de leerling naar een andere klas of zelfs een nieuwe school over te plaatsen.

Achtergrondinformatie wanneer communicatie tussen ouders en school moeizaam verloopt

  • Uit onderzoek is gebleken dat één van de oorzaken voor een gespannen verhouding tussen school en ouders het verschil in kennis over begaafdheid is. Ouders komen meestal goed voorbereid op school praten, verdiepen zich vaak in wat zij ten aanzien van onderwijs belangrijk vinden voor hun kind. Vaak hebben ze al een expert geraadpleegd.
     
  • Steeds meer scholen zien de noodzaak extra ondersteuning te bieden aan leerlingen die meer uitdaging en/of ondersteuning nodig hebben. Toch kun je als school of individuele leraar worden overvallen door de onverwachte stroom van informatie en dat roept in bepaalde situaties een terughoudende reactie op. Met name als je zelf op school geen duidelijke signalen hebt opgevangen dat er bij deze specifieke leerling sprake is van kenmerken die kunnen duiden op een hoge mate van begaafdheid.
     
  • Ouders zijn een belangrijke informatiebron bij het signaleren van kenmerken van begaafdheid. Ook als je als school of individuele leerkracht niet direct het vermoeden heb dat hier sprake van is, is het van belang ouders in hun vermoeden serieus te nemen en te onderzoeken of dit vermoeden juist is. Immers, met name de onderpresterende en onderduikende leerling zal door u als school minder gauw worden gesignaleerd. Kennis van de profielen van Betts & Neihart helpen u deze leerlingen te herkennen.
     
  • Uit ervaring blijkt dat ouders vaak al een moeilijke periode achter zich hebben en thuis zijn geconfronteerd met een 'moeilijk of ongelukkig ' kind. Ze maken zich zorgen en vragen zich af of het allemaal wel weer goed komt. Ze ervaren een gevoel van onmacht en zijn teleurgesteld in wat de school voor hun kind kan betekenen. Mogelijk hebben de ouders zelf negatieve ervaringen in hun eigen schooltijd ervaren en willen ze hun kind hiervoor behoeden. Het kan zijn dat ze in hun opvoeding druk ervaren omdat hun kind veel aandacht vraagt. Een andere mogelijkheid is dat hun kind thuis energiek en onderzoekend is, terwijl het op school weinig initiatief  toont en moeizaam tot prestaties komt. Deze thuis- school kloof kan een grote bron van zorg bij de ouders zijn. Ouders kunnen daardoor sterk emotioneel reageren.
     
  • Door de tijd te nemen voor de gevoelens en emoties van ouders, hen serieus te nemen in hun uitspraken en vermoedens, creëert u voor beide partijen ruimte om vervolgens binnen de context van de school en het schoolbeleid te gaan nadenken over mogelijke oplossingen voor de ontstane situatie.
ProfessionalsOrganisaties