Binnen thema: Begaafdheid

Begaafdheid

(Hoog)begaafdheid

Ongeveer 10% van alle leerlingen laat kenmerken zien die duiden op (hoog)begaafdheid. Naast een sterk ontwikkelingspotentieel beschikken begaafde leerlingen over creërend denkvermogen en een sterke gedrevenheid. Het is niet vanzelfsprekend dat dit zich ook uit in hoge prestaties op één of meerdere gebieden. Hiervoor is een stimulerende leeromgeving nodig, met onderwijsgevenden die rijk onderwijs vormgeven dat (ook) aansluit bij de specifieke onderwijsbehoeften van deze leerlingen.

Onderpresteren

Leerlingen met kenmerken van begaafdheid beschikken over de potentie om hoge prestaties te leveren. Toch komt dit niet altijd tot uiting. Kennis van mogelijke kenmerken die een indicatie kunnen zijn van onderpresteren is daarom van belang ten behoeve van de signalering van deze leerlingen.

Wetende dat leerlingen met kenmerken van begaafdheid goed en snel kunnen leren, verwacht je eigenlijk dat er op school weinig tot geen problemen zullen optreden. Dat geldt echter niet voor alle leerlingen. Omdat zij in het huidige onderwijs vaak niet op niveau worden aangesproken, lopen ze een groot risico om gedemotiveerd te raken, met gedragsproblemen en onderpresteren als gevolg (Doornekamp, Drent en Bronkhorst, 1999). Het is dan ook belangrijk deze leerlingen zo snel mogelijk te signaleren op specifieke begaafdheidskenmerken en indicaties van onderpresteren, zodat deze problemen zoveel mogelijk voorkomen en opgelost kunnen worden.

Door verschillende auteurs zijn kenmerken van onderpresteren bij kinderen met een hoog ontwikkelpotentieel beschreven (ervanuitgaand dat er géén sprake is van een structureel onderliggend leer- of ontwikkelingsprobleem). In onderstaand overzicht zijn deze eigenschappen op een rij gezet.

  • De kenmerken van onderpresteren zijn te verdelen in positieve en negatieve, maar krijgen alleen betekenis in combinatie met elkaar!
  • Niet alle kenmerken komen tegelijkertijd voor wanneer een leerling minder presteert dan op grond van zijn veronderstelde mogelijkheden het geval zou kunnen zijn!

Indicaties van onderpresteren bij leerlingen met kenmerken van begaafdheid

Kenmerk Toelichting
Grote en uitzonderlijke kennis (+) Heeft vaak kennis die nog niet in de groep is behandeld en een grote algemene ontwikkeling.
Grote interesse (+) Heeft op veel gebieden belangstelling en ze houden ervan om dingen te onderzoeken, bijvoorbeeld door in de vrije tijd veel te lezen of op een andere manier informatie te verzamelen. Als een onderwerp (dat vaak wat moeilijker is) zijn/haar interesse heeft, begrijpt en onthoudt hij/zij veel.
Wisselend schoolwerk (+/-) Laat vaak wisselend schoolwerk zien: afnemende prestaties, maar weet bij ingewikkelde vragen juist wel het goede antwoord, presteert mondeling beter dan schriftelijk en komt beter uit de verf bij individueel onderwijs op maat dan bij het regulier groepsonderwijs.
Positief thuiswerk (+) Werkt thuis vaak verder aan zelfgekozen schoolprojecten en ontwikkelt thuis op eigen initiatief allerlei activiteiten.
Grote verbeelding (+) Heeft vaak een levendige, grote verbeelding en is creatief (in denken).
Hoge mate van sensitiviteit (+) Geeft vaak blijk van een enorme sensitiviteit: ten opzichte van zichzelf, maar ook van anderen. Dit maakt dat hij/zij erg gevoelig kan zijn.
Afnemende schoolprestaties (-) Opvallend is dat de schoolprestaties afnemen; presteert (vooral in schriftelijk werk) beneden niveau, in elk geval beneden eigen niveau, maar soms zelf ook beneden groepsniveau. Schrijft vaak slordig, houdt niet van instampen en inprenten, mist leerinhouden en instructiemomenten en is slechts selectief enthousiast: wel voor nieuwe onderwerpen, niet voor uitwerkingen (zie ook kenmerk 3: wisselend schoolwerk).
Negatief gedrag (-) Vertoont in de klas vaak negatief gedrag; wordt als lastig en onaangepast ervaren, vraagt steeds om aandacht, verveelt zich, droomt weg en wijst pogingen van de leraar om zich aan de groepsnormen te conformeren, af.
Haperende sociaal-emotionele ontwikkeling (-) Is vaak ontevreden over zichzelf en de verrichte werkzaamheden, vermijdt nieuwe activiteiten uit angst voor mislukking, heeft minderwaardigheidsgevoelens, is wantrouwend of onverschillig en doet niet graag mee aan groepsactiviteiten, is minder populair bij leeftijdsgenootjes en zoekt vriendjes onder gelijkgestemden.
Geringe taakgerichtheid (-) Is vaak weinig taakgericht. Heeft een laag werktempo, heeft huiswerk vaak niet af, stelt zichzelf onrealistische doelen, is snel afgeleid, vergeetachtig en/of impulsief, heeft geen duidelijk leertraject voor ogen, heeft een korte spanningsboog, voelt zich hulpeloos, wil niet geholpen worden en wil zelfstandig zijn.
Negatieve houding (-) Heeft vaak een wisselende motivatie, heeft een hekel aan routine, verzet zich tegen autoriteit, neemt geen verantwoordelijkheid voor eigen daden en staat onverschillig of afwijzend tegenover de school.
HomeOnderwijsThema'sProfessionalsScholen & Organisaties