Inloggen?

Inloggen Help

Hoge intelligentie

(Hoog)begaafdheid werd vroeger (en wordt soms nog steeds) gezien als een eendimensionaal begrip, waarmee gerefereerd wordt naar een behaalde score op een intelligentietest, uitgedrukt in een IQ (intelligentie “quotiënt”). Aan dergelijke intelligentietests ligt geen theoretisch model van intelligentie ten grondslag, maar wordt vanuit een psychometrische benadering een poging gedaan om de algemene intelligentie van iemand te meten (kwantificeren).

Een score boven de 130 op een IQ-test als de WISC (Wechsler Intelligence Scale for Children, Revised for the Netherlands), wordt kwalitatief omschreven als een ‘score op zeer begaafd niveau’. Dit wordt ten onrechte ook wel synoniem gesteld aan hoogbegaafdheid. Er zijn vele kanttekeningen te plaatsen bij het meten en het “hebben” van een IQ.

Intelligentie is als construct ook niet te reduceren tot een score op een IQ test. Het operationaliseren van een definitie van intelligentie door dit te meten met behulp van een intelligentietest is slechts één van de vele invalshoeken van wetenschappelijk onderzoek. Hierbinnen zijn verschillende niveaus te onderscheiden van waaruit intelligentie gedefinieerd wordt:

  1. Verbaal: het geven van een in zekere zin intuïtieve omschrijving als “het vermogen om problemen op te lossen”
  2. Operationeel: het meten van intelligentie, waardoor het begrip gereduceerd wordt tot “intelligentie is wat deze test meet”, een niveau wat beslist niet één werkelijkheid kent en geen kennis veronderstelt van het hoe en waarom van het verschijnsel intelligentie
  3. Verklarend: het niveau waarnaar in de meeste wetenschappen gestreefd wordt en waar in de eerste plaats een theorie over de aard van het begrip gehanteerd wordt, zodat gereflecteerd kan worden op het “hoe en waarom”, waarna een instrument ontworpen kan worden waarmee gedrag voorspeld kan worden

Enkele voorbeelden van verschillende omschrijvingen van intelligentie zijn:

Wechsler: “Intelligence is the overall capacity of an individual to understand and cope with the world around him” (Wechsler, 1974)

Gardner: “A biopsychological potential to process information in certain ways: Each intelligence can be activated in an appropriate cultural setting. An intelligence permits an individual to solve problems and fashion products that are of value within a cultural context” (Gardner, 1983; Károlyi, Ramos-Ford & Gardner, 2003)

Sternberg: “Intelligence is defined in terms of the ability to achieve success in life in terms of one’s personal standards, within one’s sociocultural context. One’s ability to achieve success depends on capitalizing on one’s strengths and correcting or compensating for one’s weaknesses. One is successfully intelligent by virtue of how one adapts to, shapes, and selects environments. Success is attained through a balance of analytical, creative and practical abilities” (Sternberg, 2003)

Intelligentie is dus veel meer dan waar in een intelligentietest een beroep op wordt gedaan en is bovendien contextueel bepaald.

Met betrekking tot begaafdheid is het belangrijk om alert te zijn op de specifieke eigenschappen die voor begaafde kinderen kenmerkend zijn en om ook rekening te houden met kenmerken van begaafde onderpresteerders. De kenmerken die bij een specifieke leerling worden herkend, zijn relevant om begeleiding en aanbod op af te stemmen, zodat dit aansluit bij de behoeften van de betreffende leerling. Het verschilt dus per leerling wat nodig is.