Inloggen?

Inloggen Help

Richtlijnen voor compacten

Leerlingen met een snel leervermogen, waaronder begaafde leerlingen, hebben vaak veel minder uitleg, oefening en herhaling nodig dan een reguliere lesmethode aanbiedt. Deze leerlingen kunnen wel 2-5x zo snel leren dan gemiddeld. Voor hen kan daarom best het één en ander geschrapt worden. SLO heeft hiervoor onderstaande richtlijnen ontwikkeld en deze uitgewerkt in compactingprogramma's bij reken-en taalmethodes.

Wat wel aanbieden?

Richtlijn Toelichting
Verkorte instructie (of geen instructie) Leerlingen die snel leren slaan vaak stappen over en denken zelf verder door. Hierdoor kan de instructie verkort worden, of zelfs overgeslagen worden, wanneer blijkt dat de leerling het al lang begrepen heeft
Introductie van een nieuw thema Aan de eerste les van een nieuw thema, wordt in principe altijd meegedaan. De introductie (bijvoorbeeld door middel van een ankerverhaal bij taal) leidt het thema in en maakt de relevante begrippen rond dit thema actief. Het biedt aanknopingspunten tot opdrachten waarin samenwerkend leren en interactief onderwijs centraal staan.
Belangrijke leerstappen in de leerlijn (nieuwe leerstof) Houdt expliciet rekening met de leerlijnen geldend voor een specifiek domein (bijvoorbeel formele beschouwing bij taal of overgangen naar formele notaties bij rekenen). Als een begrip/notatiewijze voor het eerst aan bod komt, doet de leerling mee.
Verrijkingsstof die wezenlijk moeilijker is (open opdrachten) De uitloopopdrachten in de methode die bedoeld zijn voor tempodifferentiatie worden alleen aangeboden als het om opdrachten gaat met een hogere moeilijkheidsgraad.
Activiteiten op tempo Wanneer een activiteit als doel heeft om het tempo waarmee een taak of opdracht kan worden uitgevoerd te vergroten, dan is het ook voor snel lerende leerlingen relevant om dit te trainen en te blijven onderhouden. Om het voor de leelring uitdagend te houden, zijn verschillende spelvormen gericht op het trainen van dergelijke vaardigheden vaak heel geschikt.
Betekenisvolle activiteiten Opdrachten gericht op generalisatie en transfer (toepassingsopdrachten) zijn zinvol. Dit geldt bijvoorbeeld voor constructieve, ontdek- en onderzoeksactiviteiten.
Activiteiten gericht op metacognitieve vaardigheden Belangrijke strategieën en werkwijzen worden aangeboden. Ook alle reflectieve activiteiten worden aangeboden.

 

Wat schrappen?

Richtlijn Toelichting
50% tot 75% van de oefenstof Bij oefenstof gaat het om activiteiten die aansluiten op lessen waarin een nieuwe stap in het leerproces is aangeboden. Vaak wordt die stof in het lopende (en het volgende) blok regelmatig geoefend en vervolgens in dat (of het volgende) blok getoetst. Leerlingen die de stof beheersen, hebben weinig extra oefening nodig. We adviseren niet om de oefenstof helemaal over te slaan, maar om deze voor 50% tot 75% te schrappen.
75% tot 100% van herhaling Onder herhalingsstof verstaan we stof die reeds een of meer keren getoetst is en toch nog af en toe weer aangeboden wordt om de kennis en vaardigheid van leerlingen te 'onderhouden'. (Hoog)begaafde leerlingen hebben die herhaling niet nodig. Echter, soms is enige herhaling niet erg. In nieuwe toepassingsopgaven bijvoorbeeld, die de leerlingen wél maken, herhalen ze impliciet bekende stof.
Verrijkingsstof die meer van hetzelfde biedt Alle methoden bieden verrijkingsstof voor leerlingen die eerder klaar zijn en/of kinderen die meer aankunnen. Deze stof is echter niet altijd moeilijker of uitdagender. Soms is het meer van hetzelfde, soms is het iets anders, maar niet moeilijker. Bij opgaven die niet wezenlijk moeilijker zijn, geven we de suggestie om die over te slaan. Is bekend dat leerlingen bepaalde opgaven heel leuk vinden, dan geven we vaak aan dat ze zelfkunnen kiezen of ze de opgave al dan niet maken. Remediërende opdrachten (R) worden standaard niet door de (hoog)begaafde leerlingen gemaakt, de verrijkingsopdrachten (V) alleen als ze voldoen aan de criteria.

Overige overwegingen
Bij het compacten volgens de richtlijnen spelen ook andere belangrijke, niet vakinhoudelijke overwegingen mee die bepalen of iets al dan niet geschrapt wordt. Bijvoorbeeld overwegingen rond de organisatie (een leerling moet niet steeds van zijn werk gehaald worden om weer even mee te moeten doen) of pedagogische of onderwijskundige overwegingen: het is goed mee te doen aan activiteiten die samen uitgevoerd worden, omdat samenwerken ook belangrijk is voor deze leerlingen. Soms zijn overwegingen louter praktisch van aard. Het is goed om dergelijke overwegingen te betrekken in het compacten om het bruikbaar te maken in de praktijk.